Na alle
onheilsvoorspellingen klinken ook
bij Jeremia andere woorden; woorden
van bemoediging, woorden van
beloften over de
nieuwe tijd die komen zal.
IN HET HART GESCHREVEN
Schrijven - dat doe je op
papier. Of op een bord.
Of met krijt op de stoep. Of met een
spijker in een steen.
Maar schrijven
doe je in elk geval niet in je hart.
Wat bedoelt Jeremia met deze
woorden, met deze beloften van God?
Israél heeft Gods wet ontvangen.
Tien geboden om te leven, tien
wegwijzers naar het beloofde land.
Meer nog: vijf boeken vol
verhalen over de trouw van de
Schepper, die niet los laat wat Zijn
hand begon.
Vijf boeken van uittocht, van
bevrijding: de
Thora, de Wet.
Die geboden, met name die tien
woorden van de berg Horeb, heeft God
opgeschreven.
Ze zijn gegrift in steen. Ze zijn
neergelegd in de ark van het
verbond,
onder het verzoendeksel, in het
heilige der heiligen.
Daar, binnen het heiligdom, in
het binnenste van de tempel, in de
ark - daar liggen nu die geboden,
geschreven in steen.
Maar - er zal een andere
tijd komen!
Zoals het nu gaat, zo wordt het
niets.
Israël leest nauwelijks wat er
geschreven staat.
Israël leest over Gods geboden heen.
Nu zal God het anders doen. Hij
sluit een nieuw verbond.
Hij zal Zijn wet in Israëls
binnenste leggen en die in hun hart
schrijven!
Niet de ark maar Israéls hart wordt
de bewaarplaats van Zijn wet.
Zo zal het
volk niet langer Gods geboden
vergeten.
Ze zullen God kennen, van de
kleinste tot de grootste, allemaal.
lets daarvan is te zien
op het Pinksterfeest. Daar begint
God te schrijven! ‘Zijn Geest
weerstaat de valse schijn en
schrijft
in harten het geheim van ’s Vaders
grote daden’.
Gebed:
Vader, wij danken U dat de tijd komt
waarin niemand Uw geboden vergeten
zal; voor Uw Geest die Uw woorden
schrijft in
ons hart.
